Uitslag verhalenwedstrijd

‘Mijn Kindertijd’

In het vorige UNICEF Magazine vroegen we u om uw jeugdherinneringen. We ontvingen heel wat mooie inzendingen, dus het was moeilijk kiezen. Maar we hebben een winnaar: Viola Talloway met ‘Mijn poppenkleertjes’. U kunt hier ook de verhalen lezen van inzenders die net buiten de prijzen vielen.

HET WINNENDE VERHAAL

Mijn poppenkleertjes

Viola Talloway

In Suriname werkte mijn moeder als strijkvrouw bij een gezin. Ze nam wel eens wat strijkgoed mee naar huis om verder te strijken wanneer het weer wat koeler werd. Onze eettafel werd dan tot strijktafel omgetoverd. Een van onze dekens werd erop uitgespreid, daar bovenop kwam een molton laken en als laatste een wit laken. De koolpot werd met houtskool gevuld en ging er uitzien als een kunstwerk. Vaak kreeg ik de taak om het vuur brandend te houden, iets waar ik me op verheugde. Met een stuk hard karton waaide ik bij het gat aan de voorzijde van de koolpot, heen en weer, op en neer. Zodra het vuur hevig brandde, legde mijn moeder de twee strijkijzers erop. Om de ijzers schoon te vegen gebruikte ze een lapje dat ze in haar hand hield. Mijn moeder was zeer geconcentreerd tijdens haar werk; het vuur moest blijven branden in de koolpot, die zij bijvulde met houtskool. Wanneer zij zo bezig was, had ze niet in de gaten dat ik af en toe een poppenjurkje tussen de lakens legde, zodat dat mee gestreken werd. Totdat zij, soms bijna aan het einde van haar strijkwerk, mijn poppenkleertjes opmerkte die netjes opgestapeld onder de strijktafel lagen. Dan barstte zij in lachen uit en zei: “Dit kind, ze is me wat.” Later, wanneer wij herinneringen ophaalden, zei ik: “Het was een win-winsituatie. Voor u hield ik het vuur brandend en ik kreeg mijn poppenkleertjes gestreken.”

Kleine wereld
Jannitha Mulder

Op de achterkant van deze foto heeft mijn moeder ‘6 april 1962’ geschreven. Op dat moment was ik nog geen 3 jaar, was mijn broer net geboren en was mijn oudste zus bijna 1,5 jaar. Het zou me niets verbazen als deze foto is gemaakt om het rolletje vol te maken.


Mijn vader maakte de foto op het schoolplein van de oude ‘School met den Bijbel’ waar hij hoofd was. Ik herken het hek op de achtergrond. We woonden naast de school en aten warm tussen de middag. Mijn kleine wereld was toen het huis, het schoolplein en later een vorm van gebiedsuitbreiding op de stoep (op de step naar de kruidenier of zo).


Gewoonlijk ga ik niet graag op de foto en vind ik mijn eigen foto's ook nooit mooi. Deze foto is een uitzondering en ik ben elke keer weer getroffen door de heldere en nieuwsgierige blik in mijn ogen. Dat de foto in zwart-wit is, maakt het nog intenser.



Tokkie
Annette Akkerman

Het moment dat ik me voor het eerst in mijn leven verraden voelde door mijn ouders, staat nog steeds in mijn geheugen gegrift. Net als het moment dat papa triomfantelijk de tuin in kwam met een voor de legbatterij afgedankte kip. De kip was bestemd voor de soep. Ik protesteerde fel. Ik kon rekenen op de steun van mama, die geen zin had in een bloederige slachtpartij in de achtertuin.


Vanaf dat moment volgde Tokkie me als een jong eendenkuiken. Ik leerde haar kunstjes en trachtte haar op te voeden. Dat mocht niet baten, want als ik er niet was, krabde Tokkie naar hartenlust in mama’s bloemperken en liet ze overal haar groene poep vallen. Als ik thuiskwam, rende Tokkie me tegemoet om me bij de poort al kakelend op te wachten en liep ze gezellig mee het huis in om naast me op de bank te gaan zitten. Dat pikte mama niet. Tokkie werd het huis uitgezet om vervolgens verontwaardigd met haar afgebrande snavel op de keukendeur te blijven tikken.


Een hele zomer lang waren we vriendinnen. Tot de dag dat ik ’s avonds thuiskwam en controleerde of Tokkie al in het nachthok zat. Na het noemen van haar naam bleef het zacht kreunende geluid uit. Ondervraging van mijn ouders leverde alleen op dat ze naar een boerderij ‘ergens ver weg’ was gebracht. Non-verbaal was de leugen overduidelijk. Net als mijn kip zweeg ik een aantal weken en weigerde voortaan kippensoep te eten.

Het kind in mij
Cora de Boed

Steeds meer ga je je ouders waarderen naarmate je ouder wordt. Niet dat ik mijn vader (1916) lang heb meegemaakt, slechts acht jaar was ik toen hij stierf. En daarvoor lag hij bijna een jaar in het Dijkzigt Ziekenhuis (nu Erasmus MC) in Rotterdam. Ik heb wel wat ‘sporen’ van de vader waar ik van houd. Zo is mijn liefde voor bloemen en zaden strooien zodat er iets moois op kan bloeien, zeker van hem. Wij hadden maar liefst twee volkstuinen en een flink stuk land in Stad aan ‘t Haringvliet op Goeree-Overflakkee, waar we violenzaad gingen plukken na schooltijd. Het mooie handschrift, de tekeningen, verslagen schrijven van een vergadering, reizen uitzoeken om ergens naartoe te gaan. Dat laatste doe ik zelf al sinds eind jaren negentig, ieder jaar weer.


Ik mag graag knutselen, iets in elkaar zetten, haken, borduren, maar vooral schrijven. Door het kind in mij komen creaties tot leven. Bij ons thuis werd de actualiteit van de dag aan tafel besproken, kon je je mening geven over iets wat er in de wereld speelde en zo werden we als kinderen voor ons leven gevormd. Onze ouders hebben met alle liefde die ze hadden ons laten opgroeien in een tijd waarin de wereld er al een beetje beter uitzag dan de hunne. En dat herhaalt zich in families steeds weer. Want alles komt door ‘het kind in mij’.

Het Fluitekruid
Roelof Helmig

De jongen rechts op de foto ben ik. Hij is gemaakt op 4 juli 1953, de dag voor mijn achtste verjaardag.


Ik was lid van het kinderkoor van het Muzieklyceum in Hilversum en we speelden in een kinderzangspel als pages van Koning Winter. De bloemen willen dat Prins Zonneschijn zijn plaats inneemt en sturen daarvoor het Fluitekruid om dat verlangen te uiten.


Van dit zangspel kan ik me verder niet zoveel meer herinneren, alleen dat dit werd uitgevoerd op een redelijk warme dag. Die bontmutsen waren dus wel erg warm.


Wat in mijn verdere leven wel regelmatig langskwam in het voorjaar en dan vooral dankzij mijn moeder was de tekst ‘Het Fluitekruid, Heer Winter, is een bloempje teer en fijn…’. En dat tot in den treure, tot ik er op een gegeven moment zo zat van was dat ik haar in nogal stevige bewoordingen gevraagd heb daarmee op te houden.


In het laatste decennium van haar leven hebben we samen heel wat dingen uit het verleden boven tafel gehaald. We zijn ook door de door haar bewaarde spulletjes gegaan en toen kwam tot mijn verrassing de complete tekst tevoorschijn, die ze indertijd met mij moet hebben gerepeteerd. Ik zei tot haar verrassing dat ik daar heel erg blij mee was.


Als ik in het voorjaar onderweg ben en het fluitekruid in de bermen in bloei zie staan, dan denk ik tot mijn plezier daaraan en aan haar terug.

Niemand die voor ons zorgde
Julia Theisens

Deze foto is gemaakt in 1966, ik was 9 jaar. Ik lag te slapen en werd laat in de avond wakker gemaakt door de politie. Er was niemand om voor ons te zorgen. Het was traumatisch, want we werden met vier kinderen in onze pyjamas in een busje gezet en mochten niks meenemen. Mijn zusje van 7 bleef maar huilen. We werden naar een kindertehuis in Alphen aan den Rijn gebracht.


Mijn moeder was getrouwd met een man met een geestelijke beperking en dat kon ze niet aan. Na een jaar mochten mijn zusje en ik naar huis, maar ik had daar willen blijven. Het is niet te beschrijven wat er thuis allemaal misging. Het erge was dat onze gezinsvoogd niks deed. Na mishandeling heb ik nog in verschillende tehuizen gezeten, waar het ook niet echt fijn was. Het blijft een gemis als er geen mensen zijn die voor je zorgen en van je houden. Gelukkig heb ik een gezin en kan ik wél zorgen en houden van mijn kinderen. Ik ben oma en ervaar dat als een geluk. Maar dat van vroeger zal ik nooit vergeten.

Bellen blazen
JCM Dam

In een kinderrijke buurt in Purmerend, ergens in de jaren zestig, is deze foto genomen. De kleuters, waaronder mijn broertje (het jongetje op het sinaasappelkistje) en ik (het meisje met de twee staartjes), waren de hele middag al met elkaar aan het spelen. Eerst deden we dat in de buurt met de andere buurtkinderen. Vooral tikkertje, verstoppertje, touwtjespringen en elastieken twist waren favoriete spelletjes. Als er schaatsen op de televisie was, gingen onze rolschaatsen aan en deden we een wedstrijd om het huizenblok.


Anneke, het meisje dat naast mijn broertje op het sinaasappelkistje zit, had ons verteld dat zij van haar oma bellenblaas had gekregen. Trots als een pauw wilde ze dat graag laten zien. We liepen achter elkaar met Marja, het meisje in de spijkerbroek, naar de achtertuin van Annekes huis. Daar stond op het kistje een bakje met zeepsop en glycerine, ernaast lag het rode plastic pijpje. We kropen bij elkaar om te zien hoe Anneke prachtige zeepbellen in de lucht blies en keken toe hoe de zon kleuren gaf aan de doorzichtige bellen. Langzaam trokken ze langs onze gezichtjes omhoog om ergens in de lucht uiteen te spatten. De zeepbel op de foto bleef voor het gezicht van Marja hangen. De vader van Anneke heeft dit op de foto weten vast te leggen. Fascinerend hoe kinderen geboeid kunnen zijn door de magie van het bellenblazen en dat de fotograaf op het juiste moment klikte.

Zusje kwijt
Ria Driessen

Dit is de dierbaarste foto die ik heb. Het is de foto waar ik op sta met mijn overleden zus Ineke. Ze is maar 7 jaar oud geworden, omdat ze een aangeboren hartafwijking had die nu vrij eenvoudig te opereren valt. Toen ze op 7 juni 1963 overleed, na complicaties tijdens haar hartoperatie, was het de gewoonte om jonge kinderen (ik was 5 jaar) niet te betrekken bij het afscheid en de begrafenis van een overledene. Ik heb dus geen afscheid kunnen nemen. Die dag herinner ik me als een feestdag. Ik mocht uit logeren en bij de oppas een kijkdoos maken, er werden pannenkoeken gebakken. Goed bedoeld, maar… ik was mijn zusje kwijt.


Wij waren twee handen op één buik, sliepen bij elkaar en speelden altijd samen. Ik verdedigde haar als ze niet goed mee kon komen met spelen met de woorden: “Ineke kan dat niet, ze heeft een gebroken hartje.” Pas als jongvolwassene kregen de emoties rondom haar verlies de overhand. Ik droomde dat ik haar aan de telefoon had en zei haar huilend dat ik haar kwijt was. “Waar ben je nu? Ik herken je stem nog.” Ze zei dat ze in Groningen woonde (daar is ze geopereerd). Het is nu 55 jaar geleden dat ze overleed, maar ik mis haar nog elke dag. Ik ben mijn zusje kwijt.

De laatste kus
Arjen Boswijk

Voor mijn moeder Idelette Bech


Het waren warme dagen

in een hete zomer

het zwembad was een oude teil

gevuld met liefde en lauw water

en af en riep zij mijn naam

en ik antwoordde gehoorzaam

en kreeg een kus

en zwom weer verder

in mijn kleine stille oceaan

Ik herinner me die kus nog steeds

het was misschien de laatste

die ik van haar kreeg

want ze werd ziek en ik weet

nog steeds niet waar

ze toen gebleven is

Er was later een graf

waarop haar naam

maar ik kon door mijn tranen heen

niet lezen wat er heeft gestaan

op die grijze steen